Wandelen op heilige grond
Je bent mentor van een catechesegroep. Eén van de jongeren heeft een verkeersongeluk gehad en ligt in het ziekenhuis. Je zoekt hem op. De zo stoere puber ligt er verkreukeld bij, maar is prima aanspreekbaar. Hoe voer je nu het gesprek?
Je bent predikant en komt op bezoek in een gezin waarin de vader overleden is. Je treft de moeder aan met twee dochters, 16 en 18 jaar oud. Die willen weggaan als jij binnenkomt, maar jij vraagt of ze blijven. Hoe ga je communiceren met deze drie mensen?
Je bent jeugdleidster en bent meegegaan met een pinksterweekend van de 14-15 jarigen. ‘s Avonds tijdens een late wandeling vertelt een meisje dat haar moeder gezegd heeft dat zij weggaat bij het gezin. Ze vertelt erbij dat ze het heel erg vindt dat God haar gebed niet verhoort dat het goedkomt tussen haar vader en moeder. Wat ga je nu zeggen en hoe ga je dat doen?
Wandelen
De laatste casus gaat over een wandeling. Die biedt een prachtige gelegenheid om iemand te spreken. Je hoeft elkaar niet aan te kijken. Je kunt makkelijk een poosje stil zijn. Tussendoor kun je ontspannen opmerkingen maken over wat je onderweg tegenkomt en intussen de draad van het gesprek vasthouden.
Ik zou een pastoraal gesprek sowieso een wandeling willen noemen. Je wandelt even op met een gemeentelid, in dit geval een jongere. Die wandeling kun je op een ander moment voortzetten. In de casus is het waarschijnlijk een wandeling in het bos of op een landweggetje. Voor het pastorale gesprek gebruik ik graag het beeld van de tempel. Je wandelt op je gemak met de jongere over twee voorhoven en gaat dan het tempelgebouw binnen in het Heilige, om vervolgens het Allerheiligste (‘Heilige der heiligen’) te betreden.1
Is dit niet te oudtestamentisch? Nee, zeker niet. Oudtestamentisch is dat je in de voorhof moest blijven staan. Het Allerheiligste was zelfs gesloten voor priesters, alleen de hogepriester mocht er binnentreden. Het is nieuwtestamentisch om achter de Heere Jezus aan te gaan in het binnenste heiligdom. Wij mogen vanwege Zijn bloed van de verzoening achter het voorhangsel komen. De Hebreeënbrief gebruikt deze beeldspraak volop. Het mooie is dat dit beeld ook aangeeft waarheen we willen in een pastoraal gesprek, anders dan met het beeld van een gewone wandeling. We willen en mogen in een gesprek komen tot een ontmoeting met God. Maar hoe doen we dat dan?
Praten met jongeren
Wat ga je doen in een pastoraal gesprek? Met jongeren is het wel eens lastig om tijd en plaats te vinden voor een meer dan kort gesprek. Soms vindt het ‘zomaar’ plaats tijdens een avondwandeling. Of het allemaal gaat lukken, weet je niet van te voren, maar dit is je verlangen:
- Je betreedt de eerste voorhof. Je gaat meeleven met de jongere die je gesprekspartner is. Je bent hartelijk en geïnteresseerd. Het levensverhaal van de jongere kan aan bod komen. Of juist wat hij de laatste twee weken beleefd heeft. Als er een gesprekonderwerp – al dan niet gepland – komt bovendrijven, wil je feiten horen. ‘Wat is er gebeurd?’ Als je over een moeilijk onderwerp praat, zullen jongeren pas praten over hun ervaringen wanneer ze zich veilig voelen bij jou.
- Je betreedt de tweede voorhof. Je gaat meevoelen met de jongeren. ‘En, hoe is dat voor jou?’ Alleen feiten aanhoren is niet genoeg. Jongeren mogen hun hart luchten, met hun blijdschap of verdriet, hun dankbaarheid of opstandigheid. Hun gevoelens hebben alles met de feiten te maken, de dingen die spelen. Je wilt je daarin met hen verbinden. Je doet wat Paulus vraagt in Romeinen 12 vers 15: je erkent hun verdriet, je erkent hun blijdschap. Je lacht hen niet uit, maar deelt in hun angst. Je probeert hun boosheid of teleurstelling te peilen. Je uit ook je eigen gevoel, in aansluiting op wat je hoort. ‘Hier schrik ik van, wat erg voor jou!’ Of: ‘Hartstikke tof, meid!’
- Je gaat het Heilige binnen. Er is meer dan je verbinden op het niveau van feiten en gevoelens. Je gaat meedenken met de jongeren. ‘Hoe denk je daar nu zelf over?’ Je neemt hun visie en vragen serieus. Jij bevraagt hen ook op de beslissingen die ze (gaan) nemen. ‘Dus jij hebt gekozen om…?’ Je gaat het ondersteunende gesprek aan over hun overtuiging, mening en gedachten, die weer verbonden zijn met de feiten en gevoelens. Hier komen God en geloof aan de orde. Als een jongere daar zelf niet over begint, mag jij dat vrijmoedig vragen. ‘Hé, je vertelt dit nu allemaal aan mij, maar heb je dit nu ook wel eens aan God verteld?’ Je merkt vanzelf wat de reactie is en hoe je in aansluiting daarop het gesprek kunt verdiepen. Je gaat hun waarom-vragen richting God niet uit de weg.
- Je gaat het Allerheiligste binnen. In het Heilige praat je óver God. In het Allerheiligste klinkt de stem van God zelf en praat je mét God. Je gaat meebidden met de jongere. Je verlangt ernaar om samen met hem of haar God te ontmoeten en feiten en gevoelens en gedachten bij Hem te brengen. Je opent de Bijbel en leest een paar verzen. Je probeert er even over te praten. De lijntjes van het gesprek komen samen voor Gods aangezicht. Je bidt om wijsheid (samen met de jongere, als die dat durft). Je dankt voor Gods genade in Christus.
Wees niet krampachtig. Meeleven, meevoelen, meedenken en meebidden kunnen in een gesprek door elkaar lopen. Jij hebt wel de leiding van het gesprek, maar de jongere heeft ook een eigen inbreng en die is nog het belangrijkste ook. Daardoor lopen de dingen wel eens door elkaar.
Gods aanwezigheid hoef je ook niet pas op het laatste moment te ervaren. Die kun je zelfs midden in het gesprek ervaren als je samen stil bent! Je kunt een gesprek ook met gebed beginnen.
Het gesprek kan echter ook prima in de hier genoemde volgorde plaatsvinden. Soms kom je niet verder dan voorhof één of twee. Dat is dan meestal ook goed. In een volgende contact met dezelfde jongere kom je misschien in het Heilige. Het betreden van het Allerheiligste lukt ook niet altijd, maar soms ook weer wonderlijk wel. Je kunt de avondwandeling spontaan afsluiten met samen bidden op het grasveld voor de slaaptent.
Ruimtelijk effect
Een pastoraal gesprek krijgt met de metafoor van de tempel een ruimtelijk effect. Je bent medepelgrim met de jongere. Je wandelt samen met hem of haar op, al luisterend en aansluitend bij wat die zegt.
Je moet jezelf erbij bepalen in dezelfde ruimte te zijn als de jongere. Dus als die zegt: ‘Mijn vader gaat weg bij mijn moeder!’ en jij reageert met: ‘Dat mag niet van God!’, ben je niet in dezelfde ruimte. De jongere zit nog in de eerste voorhof. Jouw reactie komt echter uit het Heilige. Je slaat dus stappen over. Dat is nog gevaarlijk ook. Je weet nog te weinig van wat er speelt. Je kent ook nog niet het gevoel en de gedachten daarbij van de jongere. Misschien is hij wel opgelucht dat zijn alcoholische vader vertrekt. En dan heb jij al een oordeel namens God uitgesproken. Speel het communicatiespel zo goed mogelijk! Alleen in dezelfde ruimte kun je contact maken.
Maak ook geen haast. Samen loop je ook wel eens een stukje terug in het gesprek. Tussen de ruimtes zijn trappen. Een pastoraal gesprek krijgt in fasen een ‘verhoging’. Doe dat bewust. Dat mag je met woorden aankondigen. ‘We hebben het nu gehad over…, nu wil ik met jou een volgende stap maken…’
Het ruimtelijke beeld maakt ook duidelijk dat je aan het einde van het gesprek niet zomaar kunt stoppen en weggaan. Je zult ook weer samen met de jongere de uitgang moeten opzoeken en het gesprek zorgvuldig afronden. Hoe ga je de tempel uit, het leven weer in? Je gaat in omgekeerde volgorde door de ruimtes heen. Je vat het gesprek samen en eindigt dan weer met de feiten. ‘Fijn dat ik weet hoe het met je gaat en ik hoop dat het lukt om deze week de knoop door te hakken over je vervolgopleiding.’
Psalm 121
Ik zie aan het einde van het gesprek Psalm 121 voor mijn ogen gebeuren. De pelgrim heeft een bezoek gebracht aan de tempel en nu spreekt hij nog bij het naar buiten gaan met een priester. De pelgrim heft zijn ogen op naar de bergen en ziet op tegen de moeilijke thuisreis. De priester bemoedigt hem. ‘Hou vast dat God je helper is!’ Als een gezegende vangt hij de thuisreis aan. Als jongeren zo bemoedigd mogen worden door hun jeugdwerkleiders, voorgangers, of mentoren zijn ze gezegende mensen.
1Achter deze tempelmetafoor zit, vereenvoudigd weergegeven, de communicatietheorie voor pastorale gespreksvoering van Gert Hartmann in Lebensdeutung, Theologie für die Seelsorge, Vandenhoeck & Ruprecht, Gottingen, 1993. Die is bij ons bekend geworden door het boek van Johan Smit, Tot de kern komen, de kunst van het pastorale gesprek, Kok, Utrecht 2006. Zij gebruiken deze metafoor zelf overigens niet
Geschreven door: Nico van der Voet