‘Misschien is het wel verzonnen’
Tijdens de tienerclub van afgelopen vrijdag heeft Frits iets ontdekt waarvan hij erg is geschrokken. Hij vindt het belangrijk om het met z’n teamgenoten te bespreken: ‘We hadden het over de opstanding van Jezus en toen zei Monica opeens dat ze zich afvroeg of dat nu wel echt gebeurd was. ‘Natúúrlijk is dat echt gebeurd’, zei ik. Maar tot m’n verbazing kreeg ik toen de halve club over me heen: ‘Hoe kun je dat nou zeker weten? Misschien is het wel verzonnen!’ Frits is er nog steeds ontdaan van: ‘Wat moeten we daar nou mee?’
Frits stelt voor om het boek ‘Bewijs genoeg’ van Lee Strobel met de tieners te bespreken. Dan kun je gewoon met argumenten bewijzen dat de opstanding waar is. Maar teamgenoot Johan vindt dat maar niks: ‘Daar bereik je niks mee. Als je die kant op gaat, gaan ze misschien nog wel méér twijfelen. Ik stel voor dat we met Pasen een enthousiaste praise-avond organiseren. Dan ervaren ze dat het waar is.’
Eén van de andere leidinggevenden, Christa, reageert: ‘Is het nou zo erg dat ze daaraan twijfelen? Ikzelf weet het eerlijk gezegd óók niet zo zeker. Een tijdje geleden heb ik een interview gelezen van iemand die zei dat het er eigenlijk niet eens toe doet. Ook al twijfel je aan de opstanding, dan kun je nog best geloven.’
Voelen dat het waar is
Met dit voorbeeld zitten we volop in de vragen die prof. dr. Jan Hoek aan de orde stelde. Het thema geloofstwijfel staat weer op de kaart, zo signaleerde hij. ‘Ik ben ervan overtuigd dat veel van onze jongeren kunnen meepraten over twijfel’, schreef hij in zijn artikel. Hij pleitte voor een openhartig gesprek hierover. Maar hoe doe je dat, bijvoorbeeld in het jeugdwerk?
Daarover kunnen de meningen verschillen, zoals het fictieve voorbeeld hierboven laat zien. De één wil stevig de argumenten voor het geloof op een rij zetten, in de overtuiging dat je daarmee de waarheid ervan kunt bewijzen. Anderen vinden dat maar gevaarlijk: als je teveel nadenkt over het geloof, kom je er niet uit. Je moet vooral voelen dat het waar is.
Het gevolg van een eenzijdig accent op ervaring, is dat veel jongeren nauwelijks werkelijk een fundament onder hun geloof hebben
Nog weer anderen vinden ondertussen dat het helemaal niet erg is om te twijfelen. Het hoort er gewoon bij. En bovendien (zo omschrijft Hoek dit standpunt): ‘Wie nooit twijfelt en dus geen vragen stelt, zal ook nooit iets nieuws leren.’ Dat is de moderne manier van omgaan met twijfel.
Mag je niet twijfelen?
Is het erg als jongeren twijfelen aan de opstanding van Jezus? Mag dat dan niet? Het is goed om die vraag eerst op tafel te leggen, want ook in onze gemeenten komt de gedachte van Christa steeds meer voor. Eigenlijk kun je nergens echt zeker van zijn en dus zit er niks anders op dan twijfelend te geloven.
Toch wijst de Bijbel een hogere weg. Nergens in de Bijbel wordt over twijfel gesproken als iets positiefs. God wil ons brengen tot geloof, en niet tot twijfel. Als God iets zegt en belooft, moeten we daarop vertrouwen en er niet aan twijfelen (lees Jakobus 1:5-8). Laten we twijfel dus niet té gewoon gaan vinden, maar ons de vraag van Jezus aantrekken: ‘Hebt u dan geen geloof?’ (Mark. 4:40). Ook in het jeugdwerk.
Je mag dus niet twijfelen, is dat de conclusie? Dat zou te kort door de bocht zijn. In zekere zin is geloofstwijfel (helaas) heel gewoon, niemand ontkomt eraan. Je zou kunnen zeggen: twijfel ‘hoort’ bij geloof, zoals ziekte bij gezondheid ‘hoort’. Twijfel is zoiets als ‘ziek geloof’. Als je het zo bekijkt, is de vraag of je mag twijfelen, dus nogal vreemd. Het is bijna hetzelfde als vragen: mag je ziek zijn? Als iemand ziek is, kan hij daar vaak helemaal niks aan doen. Maar hij zegt óók niet: ik mag gerust ziek zijn, en dus laat ik het maar zo. Een zieke heeft maar één verlangen: ik wil gezond worden!
Laten we twijfel dus niet té gewoon gaan vinden, maar ons de vraag van Jezus aantrekken: ‘Hebt u dan geen geloof?
Nauwelijks echt fundament
In het jeugdwerk mogen we daarom jongeren helpen bij het ontwikkelen van een gezond geloof. Iets waarover we moeten nadenken, is of we daarbij in de afgelopen tien jaar niet té eenzijdig hebben ingezet op de manier van Johan: ervoor zorgen dat jongeren zich prettig voelen bij het geloof. Te weinig is benadrukt dat we niet geloven omdat het prettig voelt, maar omdat het waar is. Daarin hebben we de tijd niet mee, want voor veel mensen is iets pas waar als je het zelf ervaren hebt en niet omdat een ander het zegt.
Het gevolg van een eenzijdig accent op ervaring, is dat veel jongeren nauwelijks werkelijk een fundament onder hun geloof hebben. Ze geloven met hun gevoel en gaan hun eventuele twijfels ook te lijf met hun gevoel. Maar dan komt het er in feite op neer dat de basis van je geloof in jezelf ligt… Alsof je je eigen geloof moet belijden in plaats van het algemeen, ongetwijfeld, christelijke geloof.
Het is goed om hier nog even langer bij stil te staan. Natuurlijk heeft geloven een persoonlijk aspect, inclusief de ervaringskant ervan. We hebben het in dit verband wel over de ‘toe-eigening van het geloof’: het proces van je toevertrouwen aan de waarheid van het evangelie. Dat kan en zal met strijd en aanvechting gepaard gaan, een mens geeft zich er niet ‘zomaar’ aan over.
Maar we belijden niet in de eerste plaats dát we (meer of minder sterk) geloven, maar wát we geloven. Het eerste zal altijd onderhevig blijven aan stemmingswisselingen, twijfels en situaties van ongehoorzaamheid (zonden). Maar het tweede is dat niet! Dat blijft altijd waar, ook als we er soms moeite mee hebben om te geloven.
Geen sprookjes
Dat besef kan ontspannenheid geven als je als leidinggevende onderwerpen bespreekt waaraan jongeren (en niet te vergeten jijzelf) kunnen twijfelen. Jij hoeft het geloof niet ‘waar’ te máken. Het is niet pas ‘waar’ als jij het hebt kunnen uitleggen en/of als je het zelf begrijpt. Daarvoor is het geloof – of beter: daarvoor is God – te groot.
Het leerproces is dus misschien vooral wel dat je dat accepteert: dat dingen nog wel waar kunnen zijn als je ze niet begrijpt of ervaart. Want nogmaals, de basis van ons geloof ligt buiten onszelf, in de beloften van God en in Zijn handelen in de geschiedenis. Dat kunnen we weliswaar niet narekenen, maar we kunnen er wél iets van laten zien.
Wat dat betreft, valt er wel wat te zeggen voor de aanpak van Frits. Natúúrlijk is de opstanding niet te bewijzen en al helemaal niet met het verstand na te rekenen. Maar het is óók niet iets waar je altijd onzeker over moet blijven. Kennis en inzicht kunnen jongeren hierin wel degelijk verder helpen. Wat heeft God nu in de Bijbel gezegd? Hoe heeft Hij zich geopenbaard? Dat zijn dingen die waar zijn, ook al ervaren we ze niet. Geloven begint met ‘ja’ zeggen op de feiten.
Hebben we het dan over iets wat je ‘maar moet geloven’, desnoods ‘tegen beter weten in’? Soms kan het daarop lijken, maar dat betekent niet dat geloven onredelijk is. Ons wordt niet gevraagd om in sprookjes te geloven, alleen omdat ze zo mooi zijn en prettig voelen.
Dat bijvoorbeeld de opstanding werkelijk heeft plaatsgevonden, is weliswaar niet te bewijzen, maar wel degelijk met argumenten te onderbouwen. Je hoeft je verstand niet op nul te zetten om je vertrouwen te stellen op een Heere die dood is geweest en nu leeft.
Toch óók ervaring
In de methoden HGJB-Tienerwerk en HGJB-Jongerenwerk zitten verschillende programma’s die op deze manier de mogelijke twijfels van tieners en jongeren serieus nemen. Het is belangrijk dat het jeugdwerk ruimte biedt voor deze vragen. Je hoeft daar als leidinggevende niet voor terug te schrikken. Vragen mogen gesteld worden – nodig jongeren daartoe uit – en twijfel is op zich geen zonde. Het is maar hoe je ermee omgaat: je kunt je vragen en je twijfels koesteren (bijv. omdat het je een excuus geeft voor je gebrek aan overgave), maar je kunt er ook aan werken om juist te groeien in geloof.
Dat laatste is natuurlijk méér dan een kwestie van de argumenten op een rij zetten. Daarin mag Johan (‘gevoel’) Frits (‘verstand’) wel een beetje bijsturen. Het is ook legitiem dat jongeren verlangen naar ervaring. Die kant van het geloof moeten we zeker niet vergeten als we (weer) meer gaan zoeken naar kennis en inzicht. De opstanding is maar niet een ‘heilsfeit’ uit een catechisatieboekje. Het is een realiteit die persoonlijk beleefd mag worden.
Terecht stelt prof. Hoek aan het einde van zijn artikel: ‘Hopelijk zijn er voor hen [jongeren – HvW] identificatiefiguren, mensen voor wie Jezus levende werkelijkheid is en die jongeren ook willen meenemen in de ontmoeting met de levende God.’ Bijvoorbeeld op een praise-avond!
Geschreven door: Herman van Wijngaarden
Iedereen twijfelt weleens! Over jezelf, over God, over geloof. Maar wat is de beste manier om daarmee om te gaan? Nodig een HGJB-spreker uit en ga hier samen met de jongeren uit de gemeente over in gesprek!