Tussen opgeven en oplossen
Een tijdje geleden was ik te gast op een gemeenteavond over het jeugdwerk. Tijdens deze bijeenkomst werden de nieuwe visie en doelen voor het jeugdwerk gepresenteerd aan de gemeenteleden. Zij mochten daarop reageren en aangeven of ze ergens bij wilden helpen. De doelen waren opgesplitst in verschillende leeftijdsgroepen. Bij de presentatie van de doelen voor de 16+-leeftijd bleef ik even haken.
Ik wist dat er binnen de gemeente zorgen leefden over de 16+-groep. Het overgrote deel was niet meer aangehaakt bij het jeugdwerk en kwam ook lang niet altijd meer naar de dienst op zondag. Nadat de jeugdleidster de plannen gedeeld had, werden deze zorgen verwoord door een gemeentelid: ‘Ik hoop zo dat ze hierdoor weer aansluiting vinden in de kerk.’ De jeugdleidster antwoordde: ‘Misschien doen we dit niet meer voor hen, maar voor de 16+’ers die na hen komen.’
Kerkverlaters
Een eerlijk antwoord waar pijn uit spreekt. De pijn die gevoeld wordt wanneer jongvolwassenen afscheid nemen van de kerk. Het is een pijn die in veel gemeenten herkenbaar is. Binnen de Protestantse kerk bevindt de grootste groep kerkverlaters zich tussen de 16 en 25 jaar.
De redenen waarom jongeren afhaken, zijn divers. Jongvolwassenen bevinden zich in een levensfase waarin veel verandert. Er worden belangrijke keuzes gemaakt op het gebied van studie, werk, vriendschappen, liefde en geloof. In deze fase toetsen zij hun identiteit. ‘Mag ik hier zijn wie ik ben?’, ‘Past dit nog wel bij mij?’ Ook de kerk waarin zij zijn opgegroeid wordt op die manier bevraagd.
Sommige 16+’ers kiezen ervoor om te blijven. Anderen zoeken nieuwe wegen in hun relatie met God. Weer anderen lijken volledig af te haken. Sluimerend of radicaal, tijdelijk of permanent: veel jongvolwassenen maken in deze levensfase een keuze als het gaat om de kerk. Blijf ik of ga ik?
Actiemodus
Degenen die vertrekken, laten een gemeente achter die pijn ervaart, ieder gemeentelid op zijn eigen manier. Ouders en grootouders zien hun kinderen en kleinkinderen afdrijven van een belangrijk onderdeel van hun geloofsopvoeding. Jeugdleiders en catecheten zien jongeren met wie zij jarenlang optrokken andere keuzes maken dan zij hoopten. Gemeenteleden zien op zondag een generatie ontbreken. En de jongeren die blijven, zien vrienden en leeftijdsgenoten afhaken.
Hoe gaan we om met deze pijn? De één geeft erdoor op. Er lijkt te worden aanvaard dat de gemeente niet langer een plek is waar de 16+’ers zich thuis voelen. Natuurlijk worden er nog activiteiten georganiseerd en programma’s gedraaid, maar het geloof dat het jeugdwerk werkelijk impact heeft op het leven van jongeren, is verdwenen. Langzaam neemt de betrokkenheid af, zowel bij jongeren als bij leidinggevenden.
het geloof dat het jeugdwerk werkelijk impact heeft op het leven van jongeren, is verdwenen
Een ander schiet in de actiemodus. De teruglopende aantallen binnen de 16+-groep worden gezien als een probleem dat opgelost kan worden met vernieuwend beleid. Als we deze activiteit organiseren, die spreker uitnodigen of naar dat event gaan, worden we vast weer relevant voor jongeren… toch?
Derde houding
Soms brengen zulke initiatieven inderdaad een levende gemeenschap van jongvolwassenen op gang. Maar regelmatig leiden ze ook tot teleurstelling en frustratie. Zeker bij jeugdleiders die veel tijd en energie hebben gestoken in iets dat uiteindelijk niet bracht waarop ze hoopten.
De jeugdleidster uit de inleiding laat een derde houding zien. Geen houding van opgeven, maar ook niet van krampachtig oplossen. Ze geeft aan te wachten op de 16+’ers die nog zullen komen. Misschien niet nu, maar over een paar jaar. Ze erkent het verdriet om de jongeren die er nu niet zijn, maar ziet tegelijkertijd uit naar de jongeren die gaan komen. En ze is klaar voor hen als ze dat doen.
De Amerikaanse theoloog Andrew Root zou deze manier van kijken omschrijven als een ‘wachtende houding’. En dat is niet iets negatiefs. In zijn boek Wachten op God beschrijft Root hoe een kerk die geconfronteerd wordt met krimp wordt uitgenodigd om opnieuw te leren zien hoe God werkzaam is: in onszelf, in de ander en in de gemeente.
Vertrouwen
Volgens Root ligt de uitdaging niet in passief afwachten, maar ook niet in voortdurend vernieuwen en verbeteren. De vraag is niet allereerst hoe wij de kerk kunnen redden, maar hoe wij gericht kunnen blijven op God. Uiteindelijk is het niet onze inzet die de gemeente draagt, maar God zelf.
Dat vraagt om een verschuiving van vertrouwen. Niet langer vertrouwen op onszelf, of juist wantrouwen vanwege wat niet lukt, maar vertrouwen op een God die blijft werken, ook wanneer wij dat niet direct zien.
Uiteindelijk is het niet onze inzet die de gemeente draagt, maar God zelf.
Als jeugdleider denk je nu misschien: ‘Mooi, maar wat betekent dat voor mij? Moet ik nu maar afwachten?’ Zeker niet. Wachten op God betekent niet dat je niets doet. Het is een houding waarin je actief de verbinding blijft zoeken met de jongeren – in bewuste afhankelijkheid van God. Concreet kan dat er op verschillende manieren uitzien.
Investeren
Blijf investeren in de relatie en verbinding met jongeren, ook als je ze niet meer ziet in de kerk of bij de jeugdvereniging. Bijvoorbeeld door ze een kaartje te sturen met hun verjaardag of wanneer ze examen doen. Je kunt naast de bloemengroet een chocoladegroet in het leven roepen voor een jongere die het kan gebruiken. Ook door simpelweg een praatje te maken met ze in de supermarkt of sportschool, of te reageren op een instapost, kun je laten zien dat je op hen betrokken bent. Je houdt zo ongedwongen de deur naar de kerk voor ze open.
Laat je door het voorgaande ook niet ontmoedigen om nieuwe initiatieven op te zetten. Door nieuwe activiteiten voor jongeren te organiseren, laat je zien dat de gemeente er ook voor hen wil zijn. Doe dit waar mogelijk samen met jongeren zelf. Zo ervaren zij dat hun ideeën, verlangens en vragen serieus genomen worden en daadwerkelijk een plek krijgen binnen de gemeente.
Tegelijk vraagt een wachtende houding ook om ontspanning. Ga niet te krampachtig om met het ‘succes’ van initiatieven. Niet iedere avond hoeft druk bezocht te zijn en niet ieder idee hoeft uit te groeien tot een blijvend onderdeel van het jeugdwerk. Dingen mogen ontstaan, een tijd van waarde zijn en daarna ook weer verdwijnen.
Vooruitkijken
Blijf daarnaast vooruitkijken. Jongeren kunnen altijd weer aanhaken: na een periode van afstand, of simpelweg omdat zij ouder worden en doorstromen. Zorg ervoor dat jongere tieners weten dat er na hun 15e een plek voor hen is. Dat er mensen zijn die hen verwachten. Een herkenbaar aanspreekpunt kan daarin veel betekenen. Iemand die zichtbaar op hen wacht. Iemand bij wie ze terechtkunnen, ook wanneer ze een tijd niet zijn geweest.
Het wezenlijkste dat je wachtend kunt doen, is de jongeren in gebed bij God brengen. Bid voor hen, noem hun namen, hun situaties en hun gezinnen. Het helpt je om de jongeren die je minder ziet niet los te laten in je hart. Maar bovenal leg je ze zo in Gods handen. Hij gaat met hen door, ook als jij ze moet loslaten.
Geschreven door: Lauren IJzerman
Verlang je ernaar om samen met jeugdleiding en ouders, de kinderen en jongeren van de gemeente bij Christus te brengen? En wil je in het kinder- en jeugdwerk juist daar aan werken?Dan is het HGJB-Groeiplan echt iets voor jouw gemeente. Ga samen met een HGJB-expert aan de slag om het jeugdwerk beter in te richten.